door tomvanryckeghem

_MG_0706

Ze wandelden hand in hand onder een fonkelende hemel. Een eenzame kraanvogel  schilderde zachte tonen op de slapende bomen.
Deze plek was op haar mooist. Ze proefde  donkerblauw en goudgeel. Ze luisterde naar nekkanacht  en winter.

Ze volgden de sterren en de wind. Af en toe bleven ze staan en haalde de vrouw een verfrommelde stukje papier uit haar jaszak. Ze zag er moe uit. Haar lange donkere  haren lagen los op haar schouders. Ze mompelde enkele woorden tegen de kleine jongen, om vervolgens opnieuw de stilte te volgen.

De kleine jongen droeg een lange mantel. Een veel te grote wollen muts verwarmde stoere jongensdromen.

Toen ze aan het einde van het pad kwamen fonkelde er iets in het lange gras.  “Neem het maar”, fluisterde ze de jongen toe. De jongen hurkte zich, tastte voorzichtig in het duister en nam het glinsterende sterretje in z’n handjes.

Hij keek omhoog… fluisterde hen zijn wens toe en stopte het sterretje zorgvuldig in z’n broekzak.

Bedankt Charlotte!